Koninklijke feiten over Leonardo da Vinci

De Mona Lisa is eigendom geweest van de Franse koninklijke familie en van Napoleon


De Mona Lisa is het bekendste werk van Leonardo da Vinci, maar heeft niet altijd in het Louvre gehangen. Leonardo start werk aan het schilderij in Florence, maar vele kunsthistorici vermoeden dat hij het schilderij voltooid in Frankrijk, waar hij de laatste jaren van zijn leven slijt aan het hof van François I. De koning stelt het schilderij tentoon in het kasteel van Fontainebleau. Daar blijft het voor 100 jaar hangen, totdat Lodewijk XIV de Mona Lisa verhuist naar het paleis van Versailles.

Door de Franse revolutie komt ze in het Louvre terecht. Het Louvre was een koninklijk paleis maar er wordt besloten dat dit een museum moet worden. In augustus 1793 opent het museum, met een collectie van 500 schilderijen. Maar de Mona Lisa hangt er nog niet tussen, ze zal pas in 1797 verhuisd worden. En omdat er aanpassingen moeten gebeuren aan het museum gaat het Louvre dicht in 1796, om weer open te gaan in 1801.

Maar als het Louvre heropent is de Mona Lisa nog steeds niet te zien voor het publiek. Napoleon Bonaparte – nog geen keizer, maar al wel een belangrijk figuur in het Franse leger – heeft zijn oog op haar laten vallen. Hij is Eerste Consul van Frankrijk en heeft in 1800 intrek genomen in het Palais des Tuileries, wat aan het Louvre grenst. Om in zijn optrekje binnen te kunnen moet hij een stukje lopen door het Louvre en zo ontdekt hij de Mona Lisa. Het schilderij spreekt hem enorm aan – wellicht door zijn eigen Italiaanse afkomst? – en hij laat het schilderij naar zijn slaapkamer verhuizen. Ze verhuist terug naar het Louvre als Napoleon zich tot keizer van Frankrijk laat kronen in 1804.

Vandaag de dag hangt ze daar nog steeds en komen vele toeristen naar het Louvre om alleen de Mona Lisa te zien.

Anna te Drieën was een cadeautje voor de Franse koning van kardinaal Richelieu


Dit schilderij laat Maria met haar zoon Jezus zien, maar ook Maria’s moeder: de Heilige Anna. Het was een van drie schilderijen die Leonardo meenam naar Frankrijk (samen met de Mona Lisa en Johannes de Doper). Vermoedelijk heeft Melzi het terug meegenomen naar Italië na Da Vinci’s overlijden.

De Anna te Drieën wordt, naar men zegt, in 1629 gekocht door kardinaal Richelieu in Casale Monferato in Italië en schenkt het in 1636 aan de Franse koning. Sindsdien is het in alle inventarissen van de koninklijke collecties en het Louvre terug te vinden. In 2012 is na verschillende voorstudies en vooronderzoek Anna te Drieën gerestaureerd.

Johannes De Doper werd geruild voor een Holbein


Johannes de Doper wordt algemeen beschouwd als Da Vinci’s laatste schilderij. Het was een van de drie schilderijen die Leonardo bij had op weg naar Frankrijk (de anderen de Mona Lisa en de Anna te Drieën). In Clos de Luce in Amboise heeft hij het schilderij voltooid en werd het bewonderd door Antonio de Beatis.

Na het overlijden van Da Vinci komt het schilderij terecht in de kunstcollectie van François in Fontainebleau. Koning Louis XIII sluit een deal met koning Charles I van Engeland en ruilt (!) met hem in 1625 Johannes de Doper voor een werk van Titiaan (”De Heilige Familie”) en Holbeins portret van Erasmus (nu is Holbein ook een favoriet van mij, maar ruilen?). De collectie van Charles I wordt in 1649 verkocht (*slik*) en het schilderij komt in handen van bankier Eberhard Jabach. Johannes de Doper wordt ook nog korte tijd eigendom van kardinaal Mazarin, die het uiteindelijk terug aan de Franse koning geeft: Louis XIV.

Het schilderij blijft in Franse koninklijke handen tot de revolutie, waarna het in het Louvre terecht komt. In 2016 is Johannes de Doper gerestaureerd. In mijn opinie een van Da Vinci’s mooiste werken.

Van Johannes de Doper hangen kopiëen in het kasteel van Blois (gemaakt door zijn leerling Francesco Melzi, haast niet van echt te onderscheiden!) en Clos de Lucé.

Er waren nog meer Da Vinci’s koninklijk bezit

  • De Parijse versie van Madonna in de Grot heeft vermoedelijk al onder François I in Fontainebleau gehangen. In ieder geval is het in de 17e eeuw opgenomen in een lijst van werken in het cabinet des peintures in Fontainebleau. In de 18e eeuw verhuist het naar Versailles en rond 1800 komt het in het Louvre te hangen.
  • Helaas is het schilderij inmiddels verdwenen/verloren, maar Leda en de Zwaan heeft in Fontainebleau gehangen. Ze wordt daar gezien in 1624 door Cassiano del Pozzo en tot het einde van de 17e eeuw komt het schilderij nog op documenten voor. Maar vanaf 1775 geldt het helaas als verdwenen. Schetsen en voorstudies zijn het enige wat bewaard is.

Daarnaast is ook La belle ferronnière Frans koninklijk bezit geweest. Meer over dat schilderij lees je verderop

Isabella d’Este heeft geposeerd voor Leonardo


Deze tekening met het profielportret van een jonge vrouw wordt – weliswaar onder enig voorbehoud – toegeschreven aan Leonardo da Vinci. Het model dat op de tekening is te zien is Isabella d’Este. De gelijkenis met een afbeelding van Isabella op een penning wordt algemeen aanvaard.

Isabella d’Este was getrouwd met Francesco II Gonzago, hertog van Mantua. Door haar huwelijk was ze dus hertogin. Ze was erg belangrijk voor Mantua. Vooral op het gebied van muziek en kunst ontpopte ze zich als een beschermvrouwe: aan het hof nodigde ze diverse kunstenaars, musici en architecten uit voor opdrachten, waaronder Leonardo.

Dame met de Hermelijn is bezit van Poolse adel


De vrouw op dit schilderij is met grote zekerheid Cecilia Gallerani, minnares van Ludovico Sforza. Ludovico Sforza was heerser over Milaan – hertog zelfs – en was een tijdje Da Vinci’s werkgever. Cecilia was ten tijde van het maken van het schilderij 16 jaar. Ze stond bekend om haar schoonheid, intelligentie en haar talent voor poëzie. Ze was echter niet van koninklijk of adellijk bloed, vandaar de enigszins simpele jurk.

De hermelijn die ze vast houdt is symbool voor zuiverheid. Hermelijnen waren vaak huisdieren van de aristocratie en hun pels werd vaak gebruikt voor de randen van jurken of mantels. De hermelijn is echter ook een verwijzing naar Ludovico Sforza: die gebruikte een hermelijn als persoonlijk embleem en had in Napels deel uitgemaakt van de Orde van de Hermelijn.

We weten niet wie de eigenaar wordt van het schilderij nadat het voltooid is. Wat we wel weten is dat het eigendom van een Poolse adellijke familie wordt. In 1798 koopt prins Adam Jerzy Czartoryski (zoon van Adam Kazimierz Czartoryski en Izabela Czartoryska) het schilderij in Italië en komt het bij bij de collectie van de familie in Polen in 1800. Het schilderij gaat wel een spannende periode tegemoet: prinses Czartoryska kan het schilderij in veiligheid brengen voordat het Russische leger in 1830 binnenvalt. Ze stuurt het naar Dresden en dan naar het H6tel Lambert in Parijs waar de Czatoryski’s in ballingschap leefden. In 1882 gaat het schilderij terug mee naar Krakau. In 1939 wordt het schilderij meegenomen door de Duitsers en komt het terecht in het Kaiser Friedrich Museum in Berlijn. De Gouverneur-Generaal van Polen – Hans Frank – laat het schilderij terugsturen naar Krakau, waar het in zijn kantoren komt te hangen.

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog wordt het schilderij ontdekt door bevrijders in het huis van Hans Frank in Beieren. Het schilderij wordt terug bezorgd aan Krakau en komt te hangen in het Czartoryski Museum. Sinds 2010 is dat museum gesloten en in 2016 is het gebouw en de collectie verkocht aan de Poolse staat (wait, wut?). De schilderijen hangen nu in andere gebouwen en musea. De dame met een hermelijn kun je nu in het Nationaal Museum van Krakau vinden.

De geheimzinnige La belle ferronnière


Op het schilderij La belle ferronnière zien we een jonge vrouw. De naam van het schilderij kan verwijzen naar het juweel om het hoofd van de vrouw. De eerste verwijzingen naar het schilderij vermeldden foutief dat het een dochter of vrouw van een handelaar in ijzerwaren betreft (in het Frans: feronnier), die de minnares was van koning François I.

Maar eigenlijk is de dame op het schilderij nog steeds een mysterie. Er zijn mensen die geloven dat het een oudere Cecilia Gallerani is van wege de gelijkenissen met de vrouw op de Dame met de hermelijn. Het is ook mogelijk dat het Lucrezia Crivelli – een andere minnares van Ludovico Sforza – betreft of wellicht zelfs Beatrice d’Este, Sforza’s vrouw. Het schilderij maakte vermoedelijk ook dienst uit van de kunstcollectie van François I, maar pas in 1642 wordt ze bij naam genoemd door Pére Dan, die het schilderij in Fontainebleau ziet hangen. Tegen het einde van de 17e eeuw komt het schilderij terecht in de collectie van Louis XIV en in 1692 verhuist het naar Versailles, waar het tot 1784 zal blijven. In de 19e eeuw duikt het schilderij op in de inventarissen van het Louvre waar het tot op de dag van vandaag nog steeds te bewonderen is.

Het schilderij Ginevra di Benci is bezit geweest van de vorstelijke familie van Liechtenstein


Het National Gallery of Art in Washington, D.C koopt dit schilderij in 1967 voor de lieve som van 5 miljoen dollar. Aan wie het bedrag wordt betaald? De prinselijke familie van Liechtenstein. Al sinds 1733 is het in bezit van de prinselijke familie, al is het goed mogelijk dat het al in de 17e eeuw is gekocht.

De prinselijke familie van Liechtenstein had eigendommen in Liechtenstein en in Wenen. Het schilderij heeft daarom af en toe wel eens gependeld tussen Liechtenstein en Oostenrijk. Het lijkt erop dat begin 1900 het schilderij in Wenen heeft gehangen: in het artikel The Portrait of Ginevra di Benci by Leonardo da Vinci (in het tijdschrift The Burlington Magazine for Connoisseurs (Vol. 20, No. 108 (Mar., 1912)) schrijft Herbert Cook dat het schilderij te zien is in de Liechtenstein Gallery in Wenen. In ieder geval heeft het schilderij ook een tijd in het kasteel van Vaduz gehangen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ligt het schilderij daar veilig verborgen in de wijnkelder.

Het museum was al 20 jaar geïnteresseerd in aankoop van dit schilderij, tot in 1967 het licht op groen sprong en toenmalig vorst Frans Joseph liet weten het te willen verkopen. Maar de reden waarom de Liechtensteiners het verkochten is interessant. Hoewel de familie, sinds Hans-Adam vorst is , behoort tot de rijkste koninklijke families was dat onder Franz Joseph niet echt het geval. Door verkoop van veel van hun verzamelde kunstwerken heeft de familie het hoofd boven water kunnen houden na de Tweede Wereldoorlog totdat de financiën van de familie werden hergestructureerd door Hans-Adam. Hoewel ik het als Da Vinci-fan jammer vind (hoezo verkoop je een Da Vinci?) is het goed terecht gekomen in een vooraanstaand museum. En dat is nog altijd beter dan verstopt in een wijnkelder (*rilt*).

De graven van Norfolk hadden een notitieboek van da Vinci in bezit. De Codex Arundel hebben ze verkocht aan de British Library

De Codex Arundel is een van de notitieboeken van Leonardo da Vinci. Het bestaat uit aantekeningen, schetsen en diagrammen. Rond 1630 koopt Thomas Howard, 2e graaf van Arundel, in Spanje dit manuscript. Henry Howard, de 6e hertog van Norfolk, geeft het in 1667 aan de Royal Society. Daar wordt het in 1681 voor de eerste keer gecatalogiseerd (als een wetenschappelijk en wiskundig aantekenboek) door bibliothecaris William Perry.

Uiteindelijk wordt de Codex in 1831 verkocht aan de British Library, die nog veel meer manuscripten e.d. koopt uit de Arundel-collectie.

Afgezien wat de familie vroeger verkocht heeft, hebben de Fitzalan-Howards nog steeds een impressionante collectie die te bewonderen is in Arundel Castle. Zo zijn ze in het bezit van een eerste editie Shakespeare en Chaucer.

De Engelse koninklijke familie heeft de meeste aantekenboeken en tekeningen in bezit.

Naast het Louvre bezitten de Windsors de meeste tekeningen van da Vinci. In de bibliotheek van Windsor Castle is de collectie van Leonardo’s anatomische tekeningen en studies te vinden, maar ook gewone profielschetsen en karakterstudies.

Dappere archivarissen hebben de collectie gedigitaliseerd en je kunt de tekeningen bewonderen op de website van de Royal Collection Trust.

Het schilderij Madonna met de spindel (of spinrokken) is bezit van de hertog van Baccleuch


Dit schilderij is van de – Schotse – hertog van Baccleuch en behoort al tot de collectie van de familie sinds 1767, toen de 3e hertog Buccleuch trouwde met Elizabeth Montagu. Elizabeth was de dochter van de hertog en hertogin van Montagu en erfgename van hun kunstcollectie. De hertog en hertogin van Montagu hadden het schilderij in Parijs gekocht op een veiling van spullen van hertog d’Hostun et de Tallard (tot nu de vroegst traceerbare eigenaar van dit schilderij).

Het schilderij heeft altijd gehangen op het familiekasteel in Schotland – Drumlanrig Castle – maar sinds het werd gestolen in 2003 en later teruggevonden, hangt het in bruikleen in een museum.

Over het stelen van het schilderij gaat nog een leuk verhaal: de twee dieven waren als toeristen binnengekomen, en speelden dat ze de politie waren toen ze het schilderij door het raam naar buiten droegen(!) en opgemerkt werden door twee andere toeristen: “”Don’t worry love, we’re the police. This is just practice”. In 2007 kwam men op het spoor van het schilderij en wist men het terug te krijgen.

Sinds 2009 is het tentoongesteld in het National Gallery te Edinburgh.

Da Vinci heeft het kasteel van Chambord ontworpen

Nu ja, 100% zekerheid is er niet. Maar het is mogelijk dat Da Vinci enige invloed had of meegewerkt heeft aan het ontwerp van het kasteel. Experts opperen dat de trap in het kasteel en de torentjes in 15e eeuwse Milanese stijl de hand van Da Vinci verraden. Het is ook goed mogelijk dat men voor de draaitrap zich gebaseerd heeft op eerdere gedachtenspinsels en ontwerpen van Da Vinci in zijn notitieboeken.

Da Vinci heeft de plafond van het Castello Sforzesco gedecoreerd

Terwijl Leonardo aan het werk is met Het Laatste Avondmaal in de kerk Santa Maria della Grazie, krijgt hij van Ludovico Sforza een kamer in het kasteel van de Sforza’s en opdracht om de muren en het plafond in de Sala della Asse (te vertalen als torenkamer) te decoreren.

In Frankrijk krijgt Da Vinci een kasteel als woon- en werkplaats

Als koning François I van Frankrijk Leonardo weet over te halen om mee te gaan naar Frankrijk, krijgt hij vlakbij het kasteel van de koning een eigen kasteel aangeboden: château de Cloux (tegenwoordig Clos de Lucé). Da Vinci is de bekendste bewoner, maar het heeft een best rijke geschiedenis. Gebouwd door Hugues d’Amboise werd het in 1490 aangekocht door koning Charles VIII van Frankrijk voor zijn vrouw Anne de Bretagne. François I en zijn zus Marguerite de Navarre maken later ook regelmatig gebruik van het kasteel.

Leonardo wordt naast het ruime kasteel ook voorzien van een riant pensioen. In het kasteel vestigt hij zijn atelier en ontvangt hij gasten. Vermoedelijk legt hij daar de laatste hand aan zijn laatste werken: Mona Lisa, Johannes de Doper en Anna ten Drieeën. Da Vinci zal er drie jaar wonen, tot hij in zijn slaap overlijdt op 2 mei 1519.

Momenteel is het Clos de Lucé een Leonardo da Vinci-museum. In het kasteel zelf kun je de kamers bewonderen en een tentoonstelling van replica’s van zijn uitvindingen. In het uitgestrekte park om het kasteel heen zijn ook diverse modellen en replica’s in de buitenlucht te vinden.

Bronnen:

«   »

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.